Geen categorie

HOE “FAKE” IS “FAKE” NIEUWS?

8 november 2016. Na de vuilste campagne uit de geschiedenis, trekken de Amerikaanse kiezers naar de stembus. Na het sluiten van de stembureaus is er nog geen vuiltje aan de lucht. De eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten van Amerika kan nu niet lang meer op zich laten wachten. Daarna volgt de deceptie. Niet Hillary Clinton, maar Donald J. Trump wordt de 45ste Amerikaanse president. De opiniepeilers worden op het matje geroepen, zij hadden dit immers niet voorspeld, en de sociale media moeten eraan geloven. De verspreiding van fake nieuws heeft niet alleen de “Brexit” veroorzaakt, maar ook Trump naar het Witte Huis gebracht. Alle alarmbellen gaan af. Terecht?

Nepnieuws is het modewoord van 2016 en het adjectief post-truth schopte het zelfs tot woord van het jaar voor “Oxford Dictionairies” (Deckmyn, 2016). Of hoe de grootste twee politieke ontwikkelingen van het afgelopen jaar, “Brexit” en “Trump”, de gemoederen blijven beroeren. Het nepnieuws leek, net als de resultaten van beide verkiezingen, iedereen met verstomming te slaan. Op 9 november had iedereen plots weet van de vele valselijke nieuwsberichten op de sociale media, maar hadden we dit dan niet kunnen zien aankomen? En is fake nieuws aan “de” sociale media gebonden?

VAN ALLE TIJDEN

Het nepnieuws waar we het de dag van vandaag over hebben is niet nieuw. Integendeel, foute informatie die mensen geloven en waar ze dan eventueel naar handelen is van alle tijden (Bauwens, 2016; Lemann, 2016; Malik, 2016; Woolf, 2016).

In zijn artikel voor “The New York Times” haalt Kenan Malik een aantal voorbeelden aan van nepnieuws uit lang vervlogen tijden. Zo slaagde de FBI er in de jaren ’60 in een lastercampagne te starten tegen Martin Luther King. Gemanipuleerde verhalen werden aan de pers doorgespeeld en M.L.K. in diskrediet gebracht. In de jaren ’80 kregen dronken voetbalsupporters de schuld voor het “Hillsborough”-drama, nadat de kranten leugens van de politiediensten voor waarheid gepubliceerd hadden. En in 2003 moesten nepverhalen over massavernietigingswapens de oorlog in Irak vergoelijken (Malik, 2016).

Leugens verpakt als waarachtige berichtgeving zijn dus niets nieuws, maar de uitganspunten in de huidige discussie over fake nieuws zijn dat wel. Lemann geeft dit in “The New Yorker” mooi aan. Hij stelt, volgens mij terecht, dat er in de discussie over fake nieuws een nieuwe definitie van “massademocratie” is ontstaan. Om van een echte democratie te kunnen spreken, moeten alle kiezers blijkbaar stemmen op basis van de feiten en de waarheid die hen door de pers zijn aangeleverd (Lemann, 2016). Maar is dat realistisch?

In politiek interpreteer je bepaalde feiten namelijk vaak op basis van een ideologisch kader. Politieke waarden en overtuigingen kunnen bepaalde feiten overstijgen (Malik, 2016). Malik illustreert in “The New York Times” met een perfect voorbeeld. Als de feiten zouden aantonen dat foltering werkt, kun je je daar op morele basis wel nog altijd tegen verzetten (Malik, 2016). We moeten dus opletten dat we in de discussie over nepnieuws niet doorslaan en feiten een te heilige status gaan geven. En we moeten al zeker niet gaan beweren dat bepaalde media “de waarheid” in pacht hebben.

I, GATEKEEPER

Nepnieuws mag dan van alle tijden zijn, de omvang ervan is wel toegenomen door de sociale media (Davies, 2016). Althans dat vermoeden we toch. De leugens en roddels die mensen elkaar vroeger in de beslotenheid van een café vertelden, komen nu misschien wel gewoon op de sociale media terecht. En dat is, volgens mij, nu net één van de grootste troeven in de strijd tegen fake nieuws. Journalisten kunnen vaststellen welke leugens de ronde doen en deze krachtig weerleggen. Al moet je de leugens dan wel op voorhand willen zien en niet achteraf moord en brand schreeuwen.

De sociale media hebben het alleenrecht op nieuwsverspreiding weggenomen van de traditionele media. Die zijn niet meer de enige gatekeepers in het uitgebreide nieuwslandschap, de sociale media hebben van ieder individu een afzonderlijke gatekeeper gemaakt. Je hebt de mogelijkheid om zelf te bepalen wat nieuws is en wat niet (Malik, 2016). Dit heeft iedereen natuurlijk ook de verantwoordelijkheid om zelf een kritische geest te ontwikkelen ten aanzien van wat je leest, ook in de traditionele media (Edwards in Vanoost, 2016).

Dat traditionele nieuwsplatformen niet meer de enige gatekeepers zijn, zorgt ervoor dat nepnieuws zich sneller en niet langer op een gestroomlijnde manier verspreidt (Malik, 2016). Fake nieuws neemt ook meer verschillende vormen aan. Zo zijn er websites die feiten manipuleren of bepaalde zaken uit zijn context halen, waar andere sites botweg leugens verspreiden die op niets gebaseerd zijn (Davies, 2016). De techniciteit van het internet maakt het tevens mogelijk om de grens tussen echte en valse nieuwsberichten te doen vervagen. Zo lijken op Facebook zowat alle posts op elkaar (Verrycken, 2016; Woolf, 2016).

Sociale media zijn, volgens mij, dus niet schuldig aan het bestaan van nepnieuws. Ze maken het wel makkelijker om valse verhalen te verspreiden en helpen, jammer genoeg, fake nieuwssites aan advertentie-inkomsten (De Grauwe, 2016). De omvangrijke wijze waarop nepnieuws zich langs het internet kan verspreiden (Malik, 2016), maakt de bestrijding ervan ook moeilijker. De aanpak van leugenachtige verhalen moet, volgens mij, dan ook een gezamenlijke inspanning zijn van de sociale, traditionele media en natuurlijk ook de gebruiker, die zijn verantwoordelijkheid als gatekeeper moet opnemen.

GEZAMENLIJKE OPLOSSING

De sociale mediaplatformen kunnen inzetten op het delen van meer correctie informatie met hun gebruikers. Een reputatie van geloofwaardigheid opbouwen is cruciaal (Jarvis, 2016). EU- Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker noemde, op tweede kerstdag, geloofwaardigheid zelfs “het belangrijkste kapitaal” van de sociale media (ANP, 2016). Deze geloofwaardigheid moet echter wel opgebouwd worden zonder de platformen een mogelijkheid te geven om censuur op te leggen. Bedrijven als Facebook mogen niet in de positie komen om voor ons te bepalen wat fake en wat echt nieuws is (Jarvis, 2016; Malik, 2016). Ook het aanleggen van een “blacklist”, een lijst met alle sites die nepnieuws verspreiden, helpt de discussie niet vooruit (Jarvis, 2016). Een Amerikaanse professor moest een poging om zo’n lijst via “Google Docs” op te maken, staken wegens bedreigingen (Roy, 2016).

Wat kunnen sociale media dan wel doen? Facebook moet zelf proberen om nepnieuws te ontmaskeren, iets waar ze nu in samenwerking met mediabedrijven en fact checkers aan werken (Davies, 2016). Al kan je het ook makkelijker maken voor gebruikers om aan te geven dat een bepaalde post een nepverhaal bevat. Inzetten op betrouwbare bronnen moet ook één van de speerpunten worden van de sociale media. Zo kan bijvoorbeeld Facebook aangeven of het nieuwsbericht van een betrouwbare bron, zoals bijvoorbeeld de New York Times, komt.  Wat Twitter betreft, kan een functie waarbij je een reeds verzonden tweet kan corrigeren of updaten geen overbodige luxe zijn. Maar de belangrijkste maatregel, en ook daarin worden al stappen ondernomen, is toch om de advertentie-inkomsten van sites die continu valse berichten verspreiden, af te snijden (Jarvis, 2016).

Sommigen ijveren er ook voor om Facebook te verplichten om bijvoorbeeld Trump-fans te confronteren met berichten over de standpunten van Hillary Clinton. Dit zou moeten dienen om de befaamde filterbubbel te doorbreken (Jarvis, 2016; Picone, 2016). Al heb ik hier enig voorbehoud bij, aangezien bepaalde studies aantonen dat Facebook-gebruikers nu wel degelijk al in aanraking komen met visies die tegengesteld zijn aan de hunne (Malik, 2016).

Traditionele mediaplatformen kunnen samenwerken met de sociale media om bepaalde berichten te factchecken, maar ook de ontwikkeling van eigen factcheck-tools kan het verspreiden van valse informatie tegengaan. Zo ontwikkelde The Washington Post een “Google Chrome”-plugin waarbij de tweets van Donald Trump worden gefactcheckt (Davies, 2016).

De gebruiker zelf draagt natuurlijk ook een verantwoordelijkheid. De Amerikaanse neurowetenschapper Daniel Levitin omschrijft het in een interview met “De Tijd” als volgt: “Als je niet je tijd en energie neemt om kritisch te denken, vervul je niet je plicht als verantwoordelijke burger.” (Levitin in Verrycken, 2016) Jezelf in een onderwerp verdiepen helpt, maar het onderwijs vervult ook een cruciale rol. Paul De Grauwe ziet een heldenrol weggelegd voor het basisonderwijs: “Onderwijs creëert kritische mensen en maakt het minder waarschijnlijk dat leugens en bedrog een bron van grote winsten kunnen zijn.” (De Grauwe, 2016)

WAT ALS…?

Nepnieuws is van alle tijden (Bauwens, 2016; Lemann, 2016; Malik, 2016; Woolf, 2016). De sociale media en het feit dat iedere gebruiker ervan een gatekeeper van nieuws wordt, maakt de verspreiding van fake nieuws omvangrijker, sneller en complexer (Malik,2016). De maatregelen die tegen deze leugenachtige verhalen genomen worden, moeten dan ook een collectieve inspanning zijn van onder meer de sociale en traditionele media. De burgers moeten op hun beurt, geholpen door het onderwijs, met een kritische houding de broodje-aapverhalen doorprikken (De Grauwe, 2016; Jarvis, 2016; Verrycken, 2016).

De oplossingen mogen echter niet verstoord woorden door een misinterpretatie van wat nepnieuws is. Feiten die vanuit een ideologisch, politiek kader geïnterpreteerd worden zijn niet per se fake nieuws (Malik, 2016). Deze begripsverwarring zorgde er bijvoorbeeld in het klassikale debat voor dat er vaak naast elkaar gepraat werd en niet effectief naar oplossingen kon worden gezocht. De discussies over nepnieuws moeten dan ook uit de context van de recente politieke ontwikkelingen gehaald worden. De ideologische lading van de huidige discussie maakt het moeilijk om naar een gezamenlijke oplossing toe te werken. De debatten over fake nieuws blijven linken aan de “Brexit” en “Trump”, roept namelijk een onaangename vraag op. Wat als de Britten gewoon bij de EU waren gebleven en Clinton de eerste vrouwelijke president van de VS geworden was, hadden we deze onrust over fake nieuws dan ook gehad? De vraag stellen is ze, vrees ik, ook beantwoorden…

 

Bronnen

Bronnen Afbeeldingen

REDT “BLENDLE” JOURNALISTIEK?

De journalistiek verkeert in zwaar weer. De digitalisering heeft traditionele media voor financiële uitdagingen gesteld. Gratis online berichtgeving en dalende advertentie-inkomsten zetten voornamelijk de kranten onder druk (Bhattacharya, 2016; De Preter, 2016). Uitgevers moeten dus andere inkomstenbronnen zien aan te boren en nieuwe distributievormen kunnen daarbij helpen. Het Nederlandse “Blendle” is zo’n innovatieve manier om krantenartikelen aan de man te brengen (De Preter, 2016). Kan “Blendle” de betalende journalistiek redden of neemt “clickbait” voorgoed de bovenhand?

Digitale disruptie. Wim De Preter werpt ons het begrip al snel voor de voeten tijdens zijn gastlezing over de economische gevolgen van digitalisering in de journalistiek. De journalist van “De Tijd”, met zo’n twintig jaar ervaring in het Vlaamse krantenlandschap, maakt van het eerste deel van zijn presentatie alles behalve een goednieuwsshow (De Preter, 2016). De digitale ontwikkelingen hebben het medialandschap door elkaar geschud en financieel ontwricht.

DIGITALE DISRUPTIE

De digitalisering heeft voor een explosie aan platformen gezorgd. Deze online bronnen van nieuws moeten, door het verdwijnen van fysieke barrières, de concurrentie aangaan met platformen van over de hele wereld. Nieuwsconsumenten nemen de laatste jaren ook vooral hun toevlucht tot deze nieuwswebsites en sociale media, die voornamelijk via smartphone of tablet geraadpleegd worden (De Preter, 2016). Papieren kranten lijken afgedaan te hebben als bronnen van nieuws.

Niet alleen zijn de platformen van nieuwsconsumptie veranderd, ook de traditionele inkomstenstromen van krantenuitgevers zijn door de digitalisering aangetast. Voor digitaal nieuws wordt namelijk nauwelijks geld neergeteld door lezers (De Preter, 2016). Amper twaalf (!) procent van de Belgen betaalde afgelopen jaar voor online nieuwsberichtgeving (Afbeelding 1) (Reuters Institute, 2016; De Preter, 2016). Advertentiebudgetten worden niet meer aan de papieren krant besteed, maar verschuiven ook naar online (De Preter, 2016). Een digitale advertentiegolf die Christian van Thillo, CEO van “De Persgroep“, in de recentste editie van “De Journalist” onderschrijft: “Vroeger bracht online niks op. Dat is dit jaar (…) compleet veranderd. De inkomsten uit online advertenties zijn nu al elke maand groter dan die uit de krant (…).” (Van Thillo in Moritz, 2016, p.16)

afbeelding1

Afbeelding 1

 

De adverteerders mogen dan vooral investeren in de online omgeving, het verlies aan traditionele reclame-inkomsten maken ze lang niet goed. Wim De Preter heeft het over een digitale deflatie. De digitalisering heeft namelijk niet alleen voor een vermindering van de totale reclame-inkomsten van een krant gezorgd, de prijs per advertentie is ook gekelderd. Het wijdverspreid gebruik van Adblockers helpt de online advertentie-inkomsten ook niet echt de hoogte in (De Preter, 2016).

De digitalisering zorgt dus voor een geleidelijke verarming van kranten. De vaste kosten voor de redactie, drukkerij,…, de dalende printverkoop en het verlies aan reclamegeld worden niet gecompenseerd door de lezersinkomsten en digitale krantenverkoop. Vlaamse uitgevers hebben het dan ook lastig om het hoofd boven water te houden (De Preter, 2016). Tijd om het roer om te gooien en op een zoek te gaan naar andere inkomsten die de toekomst van goede krantenjournalistiek kunnen verzekeren. Van Thillo formuleert het als volgt: “(…) Mediamerken hebben nog nooit zoveel mensen bereikt als vandaag. Maar de uitdaging blijft om dit alles nog te vertalen in een duurzaam succesvol zakelijk model.” (Van Thillo in Moritz, 2016, p.15)

NIEUWE DISTRIBUTIEVORMEN

Als CEO van “De Persgroep” heeft Van Thillo zich in de eerste jaren voornamelijk toegelegd op het drukken van de vaste kosten. Hij bracht verschillende mediamerken samen in “zijn Persgroep”. “Humo”, “Story”, “TeVe Blad” en “Vitaya” werden in 2015 aan de ruime portefeuille van “De Persgroep” toegevoegd. Dit soort fusies zijn een mogelijke manier om de uitdagingen van de digitalisering het hoofd te bieden (De Preter, 2016).

Wim De Preter stipte in zijn gastlezing ook andere mogelijkheden aan om “de digitale storm door te komen”. Het verhogen van de verkoopprijzen en “native advertising” kunnen helpen om meer geld in het laatje van de uitgevers te brengen. Ook samenwerkingen over mediagroepen heen en een doorgedreven personalisering van het nieuws bieden krantenuitgevers een toekomst (De Preter, 2016).

Van alle manieren die Wim De Preter aangaf, leek het experimenteren met nieuwe distributievormen mij de interessantste optie voor kranten om met de dalende advertentie-inkomsten om te gaan (De Preter, 2016). Deze innovatieve methoden om de krant te verdelen, steunen namelijk op een “reader-pays” business model. Een business model dat, volgens de “Columbia Journalism Review“, het model van de toekomst wordt (Hepworth, 2016). Als digitale advertenties minder opbrengen, zullen de lezers moeten bijdragen aan het voortbestaan van kwalitatieve journalistiek.

Er worden veel nieuwe platformen opgericht om krantenartikelen online en tegen betaling te verdelen. “Topics” en “NRC Reader” zijn twee voorbeelden uit de Lage Landen. Het bekendste online-distributieplatform is echter “Blendle” (De Preter, 2016). De bedenkers van deze Nederlandse uitvinding, Alexander Klöpping en Marten Blankesteijn, willen mensen weer doen betalen voor kwaliteitsvolle journalistiek (Klöpping, 2015). Ze willen dat bereiken door te focussen op gebruiksgemak: “Right now, the barrier to entry in journalism isn’t that it’s too expensive. It’s that it takes more than two seconds to buy something” (Klöpping in Hepworth, 2016)

maxresdefault

Afbeelding 2

 

BLENDLE

“Blendle” wordt wel eens het “iTunes van de journalistiek” genoemd. Het online platform herbergt een “digitale kiosk” (Spence & Pompeo, 2016). Zowat alle Nederlandse kranten en magazines, maar ook Vlaamse titels zoals “Knack”, “Humo” en “De Tijd”, zijn op de site te vinden. Tot hiertoe niets bijzonders zou je denken. Het innovatieve aan “Blendle” is echter dat je de kranten en tijdschriften niet in hun volledigheid hoeft aan te schaffen. Je kan ervoor kiezen om slechts één artikeltje uit een krant te lezen. Voor de meeste artikelen betaal je een bedrag dat varieert van vijftien tot dertig eurocent (Klöpping, 2015). 70 procent van dat bedrag gaat naar de uitgever (Patterson, 2015).

Als je een account aanmaakt, krijg je tweeënhalve euro cadeau, daarna moet je zelf geld bijstorten op je account om artikelen te kopen (Hepworth, 2016). Het doel van de oprichters is om een platform te worden waar mensen bereid zijn om te betalen voor goede journalistiek: “It’s become completely normal to pay for music, with Spotify. It’s become completely normal to pay for movies, with Netflix. Yet [we] don’t have a single friend who pays for journalism.” (Klöpping in Spence & Pompeo, 2016)

“Blendle” heeft een nieuw business model uit de grond gestampt, dat zijn basis kent in de “micropayments” voor de artikelen. Het kleine bedrag en vooral de makkelijke manier waarop je kan betalen,  één “click”, moet mensen overtuigen om goede stukken te belonen. Met de nadruk op goed, want als je het stuk niet leuk vond, betaalt Blendle je terug. Deze “refunds” worden niet veel gebruikt, maar geven, volgens Klöpping en Blankesteijn, de consument het ultieme zetje om geld uit te geven aan een artikel (Klöpping, 2015).

Om de gebruikservaring te optimaliseren, werd niet alleen geïnvesteerd in een goede “look and feel”, waarbij met oog voor detail de lay-out van de originele kranten werd bewaard (Filloux, 2015). Zo helpt “Blendle” zijn gebruikers ook om de beste artikelen van de dag te ontdekken. Een eigen “nieuwsredactie” en algoritmes selecteren de verhalen die “jij misschien leuk vindt” en bezorgen je een gepersonaliseerde nieuwsbrief in je mailbox. Je kan ook zien welke artikelen je vrienden goed vinden en gedeeld hebben (Filloux, 2015; Hepworth, 2016). Deze gebruiksvriendelijkheid moet de bereidheid van mensen om voor goede stukken uit de krant te betalen, vergroten (Spil & Suijkerbuijk, 2015).

2000606676

Afbeelding 3

 

DE OPLOSSING

“Blendle” kan een succes genoemd worden. Na een investering van 3 miljoen euro in 2014 door “The New York Times” en de Duitse mediareus “Axel Springer”, werd het platform geleidelijk uitgerold in Duitsland en de VS. In augustus van dit jaar werd de kaap van één miljoen gebruikers gerond (Hepworth, 2016).

De eerste veranderingen die “Blendle” aangebracht heeft in het medialandschap worden ook zichtbaar. De bereidheid van mensen om te betalen voor kwaliteitsvolle journalistiek, lijken ze te hebben aangewakkerd en de uitgevers profiteren mee. Het merendeel van de gebruikers van “Blendle” zijn namelijk onder de 35 jaar, een doelgroep die kranten via de traditionele weg nog moeilijk bereiken (Klöpping, 2015).

De klanten die “Blendle” aantrekt, zijn voornamelijk mensen die voorheen niet voor krantenstukken betaalden (Klöpping, 2015). De inkomsten die uitgevers via “Blendle” vergaren, zijn dus additioneel en kalven het bestaande lezerspotentieel niet af. Integendeel, “Blendle” helpt de uitgevers zelfs om van occasionele lezers abonnees te maken (Filloux, 2015). Het kan de uitgevers in de toekomst minder afhankelijk maken van adverteerders. De “micropayments” en “refunds” kunnen kranten dan weer beter helpen begrijpen waarom bepaalde stukken goed en minder goed scoren (Klöpping, 2015).

De vraag blijft natuurlijk of “Blendle” met zijn systeem van betalen per artikel kan bijdragen aan een betere journalistiek. De methode van de “refunds”, waarbij mensen hun geld kunnen terugvragen als ze het artikel niet goed vonden, neutraliseert alvast het succes van “clickbait”. De voorkeuren van de “Blendle”-gebruikers wijzen er ook op dat ze eerder bereid zijn om te betalen voor diepgaande analyses, dan voor pure nieuwstukken die ze ook gratis op het internet kunnen vinden. De hoop leeft dat kranten hierdoor geïnspireerd worden en voornamelijk gaan inzetten op kwaliteitsvolle stukken (Klöpping, 2015).

TWIJFELS

Natuurlijk kunnen er ook kanttekeningen geplaatst worden bij het succes van “Blendle”. Zo blijven er twijfels bestaan rond de vraag of “Blendle” genoeg gebruikers kan overtuigen om effectief te betalen voor journalistiek. De Amerikaanse professor Van Alstyne is daar niet zeker van: “News is not like an iTunes song; it’s perishable. Today’s front page is tomorrow’s fish wrap, and we don’t need to replay it.” (Bhattacharya, 2016) Zeker de Engelstalige media worden een uitdaging voor “Blendle”, aangezien er zo veel goede en gratis Engelse content is online (Fillloux, 2015).

Bij de Franse media-analist Filloux leeft dan weer de vrees dat door het apart verkopen van artikeltjes de gemiddelde opbrengst per lezer voor een krant zal dalen (Filloux, 2014). Als iemand die vroeger de volledige krant kocht, zich nu op “Blende” twee artikeltjes aanschaft, houdt de uitgever daar minder aan over. De uitgevers hebben het voorlopig ook nog moeilijk om te bepalen wat nu de juiste prijs is voor één stukje en in welke situaties het geoorloofd is voor “Blendle” om een “refund” te geven (Bhattacharya, 2016).

Dat “Blendle” een positief effect zou hebben op de journalistieke kwaliteit, daar is ook niet iedereen van overtuigd. Het verdwijnen van de “clickbait” en de voorkeur voor diepgaande artikelen zou dan wel kunnen leiden tot beter geïnformeerde burgers, een Amerikaanse studie wijst erop dat mensen wel eens enkel bereid zouden kunnen zijn om te betalen voor stukken die hun mening ondersteunen. De vrees voor een nieuw soort “filterbubbel” groeit (Geidner & D’Arcy, 2013; Bhattacharya, 2016).

b1b_xxncqaaq1ru

Afbeelding 4

 

OPTIMISME

Blendle is dus nog zeker niet de heilige graal van de journalistiek. Een aantal twijfels moeten Klöpping en Blankesteijn zeker ter harte nemen. Al lijken de eerste resultaten toch vooral tot optimisme te verplichten. Over een paar jaar kunnen we misschien wel stellen dat “Blendle” de kwaliteitsvolle krantenjournalistiek een tweede financiële adem heeft gegeven. Of zoals ze het zelf zeggen: “ (…) in the end, what’s the most important thing is that users start understanding that (…) journalism … is worth money.” (Klöpping in Spence & Pompeo, 2016)

 

Bronnen

Bronnen afbeeldingen

IS (CYBER)DEMOCRACY OVERRATED?

Dragen nieuwe media en het internet bij aan democratie? Al sinds het ontstaan van het internet leeft de hoop dat de nieuwe media meer zeggingskracht zullen geven aan burgers en autoritaire regimes zullen helpen bestrijden: “Among the dreams that might be entertained for the Internet, and are actually entertained in some quarters, is that of a world of far greater freedom of expression and democratic control than anything which human history has yet contrived” (Graham, 1999, p.62). Graham is een optimist. Misschien kunnen we hem zelfs een utopist noemen, want is internet werkelijk het ultieme redmiddel voor de democratie? Is er sprake van cyberdemocratie of eerder cyberrepressie? (Verschooten, 2016)

raw

Gif 1

 

De “cyberdemocratie” wordt vaak omschreven aan de hand van twee kernbegrippen: “publieke sfeer” en “sociaal kapitaal”. De “publieke sfeer” is: “The idea of communication areas where citizens are able to participate in democratic processes” (Hague & Loader, 1999, p.24). Het ontstaan van het internet en de nieuwe media draagt, volgens cyber-optimisten, bij aan de verbreding van deze “publieke sfeer” (Verschooten, 2016). De nieuwe technologieën zorgen ervoor dat mensen van over de hele wereld met elkaar verbonden zijn, waardoor democratische waarden makkelijker hun intrede maken in autoritair geregeerde landen (Karagiannopoulos, 2012). In deze dictatoriale regimes zelf maken de nieuwe media het dan weer mogelijk om met meer mensen en met luidere stem voor democratie te ijveren.

Het internet kan ook een negatief effect hebben op de democratie en de “publieke sfeer”.  Mensen zoeken op het internet vaak naar personen die hun mening delen, waardoor clusters op het internet ontstaan (Kelly & Etling, 2008). Deze clusters sluiten de mensen die er deel van uitmaken op in “het eigen gelijk”. De “publieke sfeer” verengt tot verschillende, van elkaar afgesloten eilandjes. De befaamde “filterbubbels” zijn geboren. Deze “personal infospheres” zorgen voor een verdeelde maatschappij, waardoor bijvoorbeeld de algemene verspreiding van democratische waarden moeilijker verloopt (Verschooten, 2016).

Volgens cyber-optimisten creëren de nieuwe media ook “sociaal kapitaal”. Putnam definieert “sociaal kapitaal” als: “The features of social organization such as networks, norms, and trust that facilitate co-ordination and co-operation for mutual benefit” (Putnam, in Chadwick, 2006, p.87) (Verschooten, 2016). De recente technologische veranderingen zorgen ervoor dat mensen sneller met elkaar in contact komen. Daardoor ontstaan er netwerken waarin burgers zich kunnen organiseren: “(…) A striking ability of the Internet – and other forms of “liberation technology”- [is] to empower individuals [and] facilitate independent communication and mobilization (…)” (Diamond, 2010, p.70) (Golkar, 2011). De digitale media kunnen zo zorgen voor een mobilisatie van activisten in autoritaire regimes, zoals bijvoorbeeld de “Groene Beweging” in Iran.

GROENE BEWEGING IRAN

12 juni 2009. In Iran worden voor de tiende keer presidentsverkiezingen gehouden (Ganji, 2014). Aftredend president Mahmoud Ahmadinejad neemt het op tegen Mir Hussein Mousavi, de meer hervormingsgezinde ex-premier (Cross, 2010) (Ganji, 2014). De verkiezingsresultaten sijpelen binnen en Ahmadinejad wordt uitgeroepen tot winnaar. Hij krijgt maar liefst 62,6 procent van de 39 miljoen stemmen. Zijn tegenstander blijft achter met een score van 33,75 procent. (Ganji, 2014).

iran-1

Afbeelding 1

 

Het volk gelooft zijn oren niet en vermoedt verkiezingsfraude. Veel mensen komen op straat en protesteren tegen het resultaat met de slagzin: “Where is my vote?!” (Ganji, 2014).  Het protest houdt aan en krijgt al snel de naam “Groene Beweging” mee. Onderzoekers, zoals Saied Golkar, schrijven dit protest toe aan een dertig jaar oude frustratie van het volk over het regime. Het autoritaire regime in Iran wordt namelijk gekenmerkt door een gesloten politiek systeem waarbij “Guardianship of the Jurist” een cruciaal concept is. “Guardianship of the Jurist”, of Velayat-e faqih,  betekent dat de Grote – geestelijke – Leider van Iran, Ayatollah Khaminei, de belangrijkste politieke figuur is (Golkar, 2011). Deze Grote Leider, die voor het leven benoemd is, mag zelf bepalen welke kandidaten geschikt zijn om president te worden (Cross, 2010). Iran heeft zo meer weg van een theocratie dan van een democratie en dat zorgt voor ontevredenheid bij de burgers (Karagiannopoulos, 2012) (Golkar, 2011). De zweem van fraude die over de verkiezing van Ahmadinejad hangt, is voor het volk de druppel.

iran-2

Afbeelding 2

 

De vele straatprotesten worden hard neergeslagen door de overheid, maar dat weerhoudt er de activisten niet van om verder te strijden voor meer democratie in hun land. Zo worden officiële feestelijkheden van de overheid verstoord en muren met allerlei leuzen beklad. De “Groene Beweging” blinkt ook uit in grote diversiteit. Mensen met verschillende ideologische achtergronden verenigen zich in de grote golf van protest en vrouwen werpen zich op als drijvende krachten (Tahmasebi-Birgani, 2010) (Golkar, 2011).

De “Groene Beweging” verschilt niet alleen van andere protestacties in de rest van de wereld door haar diverse samenstelling. Er is ook geen specifieke leider die de opstandelingen aanstuurt. Gemeenschappelijke politieke standpunten en sterke sociale netwerken vormen de basis van de “Groene Beweging”. De sterkte van deze netwerken is een gevolg van het grootschalige gebruik van de nieuwe media en het internet door de demonstranten. Het veelvuldig inzetten van nieuwe media zorgt ervoor dat de protestacties van de “Groene Beweging” ook wel de “Twitter-revolutie” genoemd worden (Golkar, 2011): “The Internet in Iran has been a liberating technology (…). They have used services such as email, weblogs and others, to inform people inside and outside Iran of the latest news, to mobilise and organise people, to launch psychological warfare against the regime, and to delegitimise it.” (Golkar, 2011, p. 55)

iran-3

Afbeelding 3

CYBERDEMOCRATIE

De nieuwe media en het internet hebben in Iran bijgedragen aan de ontwikkeling van de “Groene Beweging” en de strijd voor democratie. Het internet zorgde ervoor dat burgers de ideologie van het regime konden doorbreken. Zo konden activisten via blogs en sociale netwerken nieuws over Iran en het protest naar buiten brengen als volleerde “burgerjournalisten” en op die manier het nieuwsmonopolie van het regime schade toebrengen. Door video’s en foto’s te verspreiden van het hardhandig optreden van de overheid via de sociale media, konden de demonstranten op sympathie rekenen van de rest van de Iraanse bevolking en de internationale gemeenschap. Op die manier raakte het autoritaire regime zijn legitimiteit kwijt en voelde de bevolking zich niet meer vertegenwoordigd door hun leiders. (Golkar, 2011)

De sociale media hielpen de demonstranten ook bij het mobiliseren van mensen. Verschillende ideeën voor protestacties werden op sociale media besproken en achteraf in de “echte wereld” uitgerold. Al waren er ook protestacties die zich enkel “online” afspeelden. Tal van overheidswebsites werden het slachtoffer van “hacking”. (Golkar, 2011)

Het internet slaagde erin om de “Groene Beweging” te ondersteunen. De “Groene Beweging” zorgde echter niet voor een grote democratische omwenteling in Iran en sommige onderzoekers hebben het over een “mislukking” (Cross, 2010). Deze “mislukking” kan te wijten zijn aan een te groot vertrouwen van de activisten in de intrinsieke democratische kwaliteiten van het internet, waardoor er soms te weinig “echt” protest in de straten van Teheran was (Karagiannopoulos, 2012). Of zijn het internet en de sociale media helemaal geen democratische krachten? Helpen ze misschien net het autoritaire regime om protesten de kop in te drukken?

CYBERREPRESSIE

Het regime in Iran controleerde al voor de opstand van 2009 het internet. Bepaalde websites werden geblokkeerd, andere sites ondergaan dan weer een doorgedreven filtering. “Gevaarlijke” inhoud wordt verwijderd (Golkar, 2011). Ook een medium als het internet is dus niet vrij van censuur. Niet alleen de inhoud van websites wordt geblokkeerd door de overheid, ook op de toegang van burgers tot het internet wordt een rem gezet. Zo is de downloadsnelheid voor privé-gebruikers in Iran beperkt tot 128 Kbps, hierdoor konden demonstranten moeilijk foto’s of video’s op het internet plaatsen en naar de rest van de wereld verspreiden. (Golkar, 2011)

Het internet stelt de overheid ook in staat om activisten en dissidenten op te sporen en eventueel te arresteren. De Iraanse overheid heeft zelfs een speciale “cyber intelligence agency” opgericht om tegenstanders van het regime te identificeren. De sociale media kunnen niet alleen door demonstranten gebruikt worden, ook de overheid kan via het internet propaganda verspreiden. Propaganda die mensen angst aanjaagt en op die manier tot zelfcensuur leidt (Golkar, 2011).

JANUS

Het internet en de sociale media staan activisten bij in hun strijd voor democratie, maar ook een autoritair regime kan dus gebruik maken van de nieuwe digitale tools. Het internet helpt demonstranten om hun macht te vergroten, maar kan ze tegelijk vleugellam maken. Golkar beschrijft de rol van het internet in het democratiseringsproces als de Romeinse God Janus, de God met de twee gezichten: “(…) The Internet performs in Janus-like ways, ironically and parodixically. Its liberating and repressing potential are inseparable. (Golkar, 2011, p. 63-64)”.

Lessig ziet het internet als een neutrale tool, waarvan zowel mensen en regimes met goede als met slechte bedoelingen gebruik van kunnen maken (Karagiannopoulos, 2012). Moeten we het internet en de nieuwe media dan opgeven als tools voor meer democratie? Ik denk van niet. Ik volg Yochai Benkler als die zegt dat ten opzichte van de traditionele media, zoals radio en televisie, het internet meer positieve kwaliteiten bezit. Het internet creëert namelijk een nieuwe “publieke sfeer” waarin iedereen zijn mening kan geven. De tijd van staatsmedia is voorbij (Karagiannopoulos, 2012). Leve de nieuwe media! Leve de democratie!

 

Bronnen:

  • Best, M. L. & Wade, K. W. (2009). The Internet and Democracy Global Catalyst or Democratic Dud?. Bulletin of science, technology & society, 29(4), 255-271.
  • Calingaert, D. (2010). Authoritarianism vs. the Internet. Policy Review, (160), 63.
  • Chadwick, A. (2006). Internet politics: States, citizens and new communication technologies. New York, NY: Oxford University Press.
  • Cross, K. (2010). Why Iran’s green movement faltered: The limits of information technology in a rentier state. SAIS Review of International Affairs, 30(2), 169-187.
  • Diamond, L. (2010). Liberation technology. Journal of Democracy, 21(3), 69-83.
  • Erdbrink, T. (2011, December 15). Cyberpolitie bewaakt het virtuele Iran. Retrieved December 11, 2016, from http://www.standaard.be/cnt/6j3jjm1p
  • Faris, R. (2009). Web tactics. Index on Censorship, 38(4), 90-96.
  • Ganji, A. (2014, September 06). Iran’s Green Movement Five Years Later — ‘Defeated’ But Ultimately Victorious. Retrieved December 11, 2016, from http://www.huffingtonpost.com/akbar-ganji/iran-green-movement-five-years_b_5470078.html
  • Golkar, S. (2011). Liberation or suppression technologies? The Internet, the Green Movement and the regime in Iran. International Journal of Emerging Technologies and Society, 9(1), 50.
  • Graham, G. (1999). The Internet: A philosophical inquiry. London: Routledge
  • Hague, B.N. & Loader, B.D. (eds.). (1999). Digital democracy: discourse and decision making in the information age. London: Routledge.
  • Karagiannopoulos, V. (2012). The role of the internet in political struggles: Some conclusions from Iran and Egypt. New Political Science, 34(2), 151-171.
  • Kelly, J., & Etling, B. (2008). Mapping Iranʼs online public: Politics and culture in the Persian blogosphere. Berkman Center for Internet and Society and Internet & Democracy Project, Harvard Law School.
  • Rogiers, F. (2016, November 19). En nu moet Europa eraan geloven. Retrieved December 11, 2016, from http://www.standaard.be/cnt/dmf20161118_02579127
  • Rubin, M. (2012). Review of The Green Movement in Iran. Middle East Quarterly.
  • Tahmasebi‐Birgani, V. (2010). Green women of Iran: The role of the women’s movement during and after Iran’s presidential election of 2009. Constellations, 17(1), 78-86.
  • Verschooten, C. (2016). Nieuwe media en democratisering [Powerpoint- presentatie]. Brussel: KU Leuven.

 

Bronnen afbeeldingen:

KLEIN BUDGET, GROOT HART

Stel je voor, je bent 28 jaar en programmadirecteur bij één van de grootste Nederlandse producenten van sportprogramma’s. Voor velen in de media-industrie een droomjob, maar niet voor Neal Petersen (1984). Hij trok de deur bij Infostrada Sports achter zich dicht en richtte met collega Joris Boerhof Yiro op. Yiro maakt sportprogramma’s die enkel op internet te zien zijn: “Ik heb in de Verenigde Staten gestudeerd en zag daar de laatste jaren geweldige sportprogramma’s op internet ontstaan. Dat wilden wij ook in Nederland doen.” (Goossens, 2016) Een online-avontuur gekenmerkt door kennis, passie voor sport en enorme gedrevenheid.

Neal Petersen heeft veel ervaring in het medialandschap. Na zijn studies communicatie in Boston, ging hij aan de slag als journalist bij het AD. Daarna werkte hij als sportjournalist voor televisie en adviseerde onder meer de Nederlandse voetbalbond en de Telegraaf Media Group als mediaspecialist. Voor hij als programmadirecteur aan de slag ging bij Infostrada Sports, startte hij ook nog een website rond Amerikaanse sporten op.

Het directeurschap bij Infostrada was van korte duur en Neal ging, samen met Joris Boerhof, zijn eigen weg: “Het bedrijf wilde de ene kant opgaan en ik geloofde toch meer in de andere kant. Wij geloven heel erg in online. Als je een goed idee hebt, dan moet je dat kunnen doen. Bij een groot bedrijf duurt het heel erg lang vooraleer er een volgende stap wordt gemaakt. Als wij nu een goed idee hebben dan kunnen we het de volgende dag gewoon maken.” (Van Liempt Live, 2015) Yiro was geboren.

Het productiebedrijfje houdt zich vooral bezig met het ontwikkelen en produceren van online (praat)programma’s over sport: “Joris gaat over het productionele gedeelte en ik meer over de inhoud.” (Tervoort, 2016) Online kanalen over wielrennen, basketbal en american football behoren tot het aanbod, maar voornamelijk de voetbalprogramma’s zijn populair. Door deze voetbalprogramma’s, die gebundeld worden onder de naam “FC Afkicken”, leerde ik Neal Petersen en Yiro kennen.

FC AFKICKEN

“FC Afkicken” was de eerste productie van Yiro en is ook de belangrijkste. Het Youtube-kanaal heeft, na anderhalf jaar, 3.500 abonnees en bereikt maandelijks 50.000 mensen (Tervoort, 2016): “We zijn zo’n anderhalf jaar geleden echt serieus begonnen met “FC Afkicken” en we wilden onszelf twee jaar de tijd geven om te kijken hoe het zou gaan. Ik ben heel blij dat we nu een goede basis hebben. Het gaat nu eigenlijk pas beginnen.”(Tervoort, 2016)

Het programma is een succes en wordt door sommigen beschouwd als “het beste praatprogramma op sportgebied” (Walinski, 2015). De sprong naar online-tv van Neal Petersen is de innovatie die de toekomst van de (sport)journalistiek misschien wel kan verzekeren. Zo slaagt FC Afkicken erin om jongeren te bereiken, wat bij televisie veel minder het geval is: “Met de start van Yiro wilden wij echt wat anders doen, een nieuwe generatie aanspreken. De gemiddelde leeftijd bij ons is 25 jaar, terwijl dat op tv ongeveer 50 jaar is.” (Tervoort, 2016)

INHOUD EERST

Het online platform is niet de enige innovatie die Neal en Joris doorvoerden, ook inhoudelijk probeert FC Afkicken anders te zijn dan de traditionele voetbalverslaggeving: “Je kijker serieus nemen en niet zomaar dingen roepen. Op televisie worden allerlei zaken geroepen, maar dat wordt nooit onderbouwd.” (AT5, 2016)

Het voetbalinhoudelijke aspect is cruciaal bij FC Afkicken. De meerwaarde van de online programma’s is dat er ruimte en tijd is voor diepgang en context: “Wij willen een voetbalinhoudelijk programma zijn, waarbij de hoofdrolspelers (voetballers en trainers) zelf aan tafel zitten, of via Skype inbellen.” (Bakker, 2015) Traditionele media klagen vaak dat spelers niets interessants meer te melden hebben: “Maar wij stellen de spelers centraal en geven ze een podium. Als je vierendertig keer gevraagd wordt: “Wat ging er door je heen?”,  ben je dat na de derde keer ook beu.” (Van Liempt Live, 2015)

De kennis hoeft ook niet altijd van gevestigde waarden te komen (Walinski, 2015) . Jean-Paul Rison en Yordi Amali bijvoorbeeld zijn geen grote namen in de Nederlandse sportjournalistiek, maar hun encyclopedische kennis van het internationale voetbal is een enorme verrijking voor iedere voetballiefhebber. De gasten worden geselecteerd op kennis en passie en niet op hun reputatie en daar horen dus ook opvallend meer vrouwen bij dan in andere voetbalprogramma’s (Walinski, 2015).

INTERACTIE MET DE KIJKER

Dat de programma’s online te zien zijn zorgt niet alleen voor meer diepgang, een grotere creatieve vrijheid en snellere besluitvorming (http://www.sportsspeakers.nl/spreker/neal-petersen/), maar vraagt ook een grotere flexibiliteit van de programmamakers: “Hoe voorzie je in de behoefte van onze jonge doelgroep om over voetbal te praten? Instagram, Twitter, Snapchat en Periscope. We opereren alleen maar online, dus dan moeten we er op die manier over nadenken.” (Kloosterman, 2016) Het uitvallen van de stroom tijdens het vorige EK Voetbal bewijst dit ten voeten uit: de uitzending ging gewoon verder op Periscope, de livestream-app van Twitter (Kloosterman, 2016).

De relatie met de kijker verschilt ook volledig van die bij televisie. Waar traditionele journalisten erg weinig aandacht besteden aan feedback van het publiek (Spyridou, Matsiola, Veglis, Kalliris & Dimoulas, 2013), is het net de ambitie van “FC Afkicken” om de volgers een stem te geven: “We omarmen “social media” en vragen mensen om input te geven. Andere sportprogramma’s draaien veelal om zeer gelijkaardige formats : wat er aan tafel wordt besproken, komt van de tafel. Incidenteel komt er een mailtje langs. Wij zoeken juist heel erg de interactie.” (Daalder, 2014) Zo worden bijvoorbeeld vragen van kijkers via Twitter expliciet behandeld in het segment “#FCBUITENLAND”.

TEAMPLAYER

Om het bereik te vergroten, gaat “FC Afkicken” samenwerkingen aan met andere mediaspelers in het voetbal. Die mensen en organisaties moeten wel inhoudelijke expertise in het programma kunnen inbrengen (http://www.yiro.nl/yiro/): “Het belangrijkste bij deze samenwerkingen is dat het bij ons moet passen.” (Tervoort, 2016) Zo werd een “Transfer Deadline Day Show” ingeblikt in samenwerking met het voetbalmagazine VI. Geregeld komen er ook journalisten van DeCorrespondent en Catenaccio langs in de studio.

Deze multimediale samenwerkingen kunnen verder bijdragen aan de verspreiding van innovatie in de (sport)journalistiek (Gynnild, 2014). Zo krijgt bijvoorbeeld de manier waarop journalisten van Catenaccio voetbaldata gebruiken met hun inbreng op “FC Afkicken” een nieuw platform. Door meer context aan te bieden, kunnen ze bij “FC Afkicken” op hun beurt meer jongeren bereiken (Pleijter, 2015) : “Generatie Z beleeft sport op een hele andere manier. Zij willen veel meer betrokken worden door extra content.” (Daalder, 2014)

GELD NA PASSIE

Uiteraard moet er ook brood op de plank komen:  “Wij hebben 2 verdienmodellen. Eén daarvan is eigen programmaontwikkeling: wij geloven dat als een programma goed is, de investeerders uiteindelijk vanzelf erbij komen. Dat gebeurt nu ook. En het andere verdienmodel is dat we voor commerciële partijen als producent werken.” (Van Liempt Live, 2015) Al is geld verdienen niet de voornaamste ambitie van YIRO: “We groeien omdat we vanuit liefde en passie de programma’s maken. Geld heeft nooit voorop gestaan. We hebben ook geen geld verdiend aan FC Afkicken, integendeel. Maar daar geven we niet om. We zijn dit bedrijf begonnen omdat we iets vanuit onze passie wilden bereiken. Het product is het belangrijkste en dat staat nu.” (Tervoort, 2016)

Neal en Joris kijken nu naar de toekomst en mogelijkheden om het programma verder uit te bouwen: “De komende tijd komt er een website, we gaan reportages maken bij spelers in binnen- en buitenland, interviews doen en bij clubs langs.” (Tervoort, 2016) Het zal een hele uitdaging worden om met meerdere afleveringen per week boeiend te blijven (Walinski, 2015). De uitbreiding van de programmatie en verdere innovaties die het programma invoert, moeten dan ook altijd de sport centraal stellen: “Als je op een juist gekozen moment een extra dimensie kunt toevoegen aan je verhaal, dan kan het absoluut van toegevoegde waarde zijn. Maar, de sport is altijd leading” (Daalder, 2014)

 

Bronnen:

The Internet Freed From Pixels

Zondagavond, negen uur. De trein vertrekt vanuit Gent-Sint-Pieters. We zijn op weg naar Leuven en ik heb mijn koptelefoon op. Ik kies niet voor Adele, Leonard Cohen of Bazart, maar een podcast: “Serial”. Ik zag, twee maanden geleden, Marc-Marie Huijbregts en Paulien Cornelisse in DWDD reclame maken voor de podcast in het algemeen en “Serial” in het bijzonder, vandaar. De podcast begint en Sarah Koenig neemt je meteen mee in haar onderzoeksjournalistieke project. Maar podcasts en journalistiek, gaat dat eigenlijk wel samen?

Podcasts zijn digitale audioprogramma’s op het internet. Je kunt ze niet alleen op de computer beluisteren, maar ook downloaden naar je Ipod, Iphone of andere MP3-spelers. Als je je op bepaalde podcasts abonneert, gebeurt dat downloaden zelfs automatisch (Rheingold,2008). Daardoor kan je een podcast beluisteren waar en wanneer je wil (Potter, 2006). Op de trein, in de auto of de fitness, de mogelijkheden zijn eindeloos. Het kleine formaat van de MP3-file zorgt ervoor dat je meteen heel wat podcasts snel kunt downloaden naar je toestel naar keuze (Rheingold,2008).

Niet alleen kan je een podcast opzetten waar en wanneer je maar wil, ze zijn vaak ook gratis. Een podcast in elkaar steken is namelijk geen dure onderneming. Een podcast maken vereist ook geen buitenaardse computerskills, waardoor ook niet-professionals er zich aan wagen. Daardoor ontstaan veel verschillende vormen van podcasts, van huis- ,tuin- en keukentips tot politieke commentaren (Rheingold, 2008).

De podcast zou je een vintage tool kunnen noemen. Na een eerste boom bij het ontstaan van de Ipod, waar de podcast zijn naam aan dankt (Rheingold, 2008), is het medium nu aan een ware revival toe. Een heropleving die onder meer te danken is aan het succes van “Serial” en zijn verhalende onderzoeksjournalistiek (Lindgren, 2016).

SERIAL

“Serial” is een podcast, gepresenteerd door Sarah Koenig, die in de loop van één seizoen een waargebeurd verhaal vertelt. Of zoals ze het zelf zeggen: “Each season, we follow a plot and characters wherever they take us. We won’t know what happens at the end until we get there, not long before you get there with us.” (https://serialpodcast.org/about)

In het eerste, populairste seizoen beschrijft “Serial” het verhaal van Adnan Syed. Adnan Syed is tweeëndertig jaar en zit al vijftien jaar in de gevangenis. Hij heeft een levenslange gevangenisstraf gekregen voor de moord op zijn ex-vriendin Hae Min Lee in 1999. Maar, Adnan houdt zijn onschuld staande. Sarah Koenig werpt zich op de zaak en dompelt ons onder in haar onderzoek naar de schuld of onschuld van Adnan Syed. (https://serialpodcast.org/about)

“Serial” is niet enkel een podcast. De serie maakt ook gebruik van andere tools om het verhaal duidelijk te maken. Een twitteraccount voor interactie met de fans kan natuurlijk niet ontbreken, maar ook tijdlijnen, story maps en interactieve kaarten maken deel uit van het repertoire op de site. Verder krijg je ook originele onderzoeksdocumenten te zien en is voor het tweede seizoen fantastisch ondersteunend beeldmateriaal ontworpen.

“Serial” is een wereldwijd succes en Sarah Koenig krijgt lof voor haar transparante, persoonlijke aanpak en het inzicht dat ze geeft in het volatiele proces dat onderzoeksjournalistiek is (Barnathan,2014). De serie ontving onder meer de belangrijkste Amerikaanse prijs voor radiojournalistiek: The Peabody Award (https://serialpodcast.org/about). Al is het ook niet al goud wat blinkt. De serie kreeg kritiek omwille van het hoge entertainmentgehalte (Merry,2014). Kritiek die misschien wel eigen is aan de persoonlijke vorm van journalistiek waarvoor een tool als de podcast gebruikt wordt.

MEER DAN DRAAGBARE RADIO

De podcast is een intiem medium (Lee, 2015). De “oortjes” van je MP3-speler zorgen ervoor dat je helemaal ingekapseld wordt in het verhaal. Het gaat om jou, de personen die aan het woord zijn en het verhaal. Een verhaal dat je door je “oortjes” als het ware wordt ingefluisterd (Lindgren, 2016). Deze evolutie maakt van een podcast meer dan “draagbare radio”: “Podcasts represent an atomisation of experience, muffling the sounds of the immediate environment and removing the individual from a synchronous community of listener.” (Tierney,2015)

De podcast kan, volgens mij, journalistieke technieken zoals het interview herleiden tot zijn essentie. Zo is bijvoorbeeld het tv-programma “Winteruur” ook beschikbaar als podcast. De ruimte, de zetel en de hond zijn niet meer belangrijk, maar wat telt bij de podcast is wat er gezegd wordt. De podcast herleidt het interview tot zijn puurste vorm.

De intimiteit van de podcast heeft dus een invloed op de vorm en de inhoud van het verhaal dat je als journalist wil vertellen (McHugh, 2016). De focus ligt daarbij vaak op persoonlijke verhalen die de journalist op een oprechte, menselijke manier brengt (Potter, 2006). Hierdoor zorgt het verhaal voor een empathische reactie bij de luisteraars (Lindgren, 2016). De intimiteit en oprechtheid verklaren mee het succes van de podcast en zorgen ervoor dat ook een nieuwe demografie van luisteraars bereikt wordt. Deze nieuwe groep luisteraars die de podcast aanboort kan uiteraard ook interessant zijn voor adverteerders en journalistieke merken. De podcast biedt daarnaast ook nieuwe mogelijkheden om relaties met luisteraars aan te gaan en met hen te interageren (McHugh, 2016).

De podcast biedt ook ruimte voor diepgang en context (Lindgren, 2016). De makers van een podcast beschikken over iets waar traditionele radiomakers vaak heel jaloers op zijn: tijd. De tijd om een verhaal uit de doeken te doen, context te bieden en diepgang te verschaffen. De podcast zal het dan ook van diepgaande verhalen moeten hebben, aangezien de “live” nieuwsberichtgeving ons toch vooral via andere tools en platformen, zoals de sociale media, bereikt (Potter, 2006). Een voorgedragen “longread” is de podcast echter niet, maar vooral een mogelijkheid om in de huid van de journalist te kruipen en zijn of haar twijfels te voelen.

PERSONAL NARRATIVE JOURNALISM

Het vertrouwen in de journalistiek staat op een laag pitje. Gingras & Lehrman (2014) stellen dat journalisten niet langer in het aura van betrouwbaarheid dat rond hun beroep hangt mogen berusten, denken we maar aan de recente verhalen rond “fake news”. Journalisten moeten inspanningen leveren om het vertrouwen van de nieuwsconsument terug te winnen en de podcast kan een mogelijk rustpunt zijn in de chaos van (online) nieuwsverhalen.

De podcast is bij uitstek een tool waarmee een journalist uiterst transparant te werk kan gaan (Barnathan, 2014). Zo laat bijvoorbeeld Sarah Koenig ons in “Serial” meekijken naar hoe een onderzoeksjournalist zijn verhaal opbouwt. Deze openheid en transparantie helpen om het vertrouwen in de journalistiek terug op te bouwen (Gingras & Lehrman, 2014). Uitleggen waarom je iets doet of denkt als journalist is niet alleen waardevol voor het verhaal, maar ook betekenisvol voor de nieuwsconsument. Als je als kijker, lezer of luisteraar het journalistieke proces kunt volgen, heb je waarschijnlijk meer vertrouwen in het eindproduct.

De intieme en persoonlijke manier van journalistiek die gepaard gaat met de podcast noemen we “personal narrative journalism”. Deze vorm van ego-journalistiek waarbij journalisten zelf deel uitmaken van het verhaal en hun ervaringen delen, ligt ook wat onder vuur. Er hangt namelijk een geur van subjectiviteit rond deze persoonlijke verhalen waar een reporter een rol in speelt. De informele toon waarop een podcast vaak gebracht wordt, draagt bij aan de kritiek dat deze vorm van journalistiek eerder entertainment als doel heeft en pure sensatiezucht is. De mensen die voorkomen in het verhaal worden uitgebuit om luisteraars te plezieren en de nieuwswaarde van de verhalen is soms onbestaande. De heilige principes van onpartijdigheid en onafhankelijkheid lijken plaats te moeten ruimen voor andere ethische conventies en richtlijnen (Lindgren, 2016).

De podcast en andere vormen van “immersive journalism” zoals VICE (Verschooten, 2016), waarbij de nieuwsconsument letterlijk meegezogen wordt in een verhaal, werpen een interessante discussie op: Is objectiviteit nodig om aan goede journalistiek te doen? Een podcast als “Serial” bewijst voor mij het tegendeel. Sarah Koenig heeft ons een inkijk in haar gedachten, die uiteraard subjectief zijn, maar haar gedachten krijgen we niettemin te horen. Andere (traditionele) journalisten mogen dan misschien een objectief stuk maken, maar de (al dan niet) subjectieve gedachtegang die achter hun invalshoek schuilgaat, die krijgen we niet te zien.

De transparante journalistieke aanpak, waar een tool als de podcast aan bijdraagt, weegt voor mij op tegen de bezwaren over subjectiviteit. De aandacht voor diepgang en context, waar een podcast bij kan helpen, mag voor mij zwaarder wegen dan het aan bod laten komen van meerdere stemmen en perspectieven.

DE TOEKOMST VOOR “SLOW JOURNALISM”?

De podcast is, volgens mij, een format waar de journalistiek enorm van kan profiteren. Podcasts geven journalisten immers de vrijheid om met verschillende vormen van journalistieke expressie te experimenteren (Lindgren, 2016). Daardoor kunnen “vergeten genres”, zoals luisterspelen en audiodocumentaires, een tweede adem vinden (Thompson, 2016). Deze creatieve vrijheid, gecombineerd met de journalistieke diepgang waar de podcast toe bijdraagt, maken van de podcast de tool bij uitstek voor onder meer “slow journalism”.

De “slow journalism”-trend in de journalistiek probeert zich te differentiëren van de constante stroom van nieuwsberichten waarmee nieuwsconsumenten worden overspoeld. “Slow journalists” maken  tijd vrij om een verhaal op een gedegen manier uit te werken (De Smaele, 2016). De intimiteit en persoonlijkheid van de podcast dragen, volgens mij, volledig bij aan deze missie. “Slow journalism” maakt al gebruik van literaire en visuele tools, zoals de longreads en de graphic novels (De Smaele, 2016). Deze tools vereisen een grotere concentratie en aandacht van de lezers dan podcasts en laat onderzoek nu net uitwijzen dat de aandachtspanne van mensen op mobiele apparaten heel kort is (Vanhemelryck, 2016). De rust die van een podcast uitgaat en het gemak waarmee je later weer in het verhaal kunt inpikken zouden deze hindernis voor “slow journalism” wel eens kunnen overwinnen.

“Slow journalism” en doorgedreven onderzoeksjournalistiek zouden met de podcast wel eens een nieuwe thuis gevonden kunnen hebben. Onderzoeksjournaliste Maxie Eckert stelde tijdens de VVOJ-conferentie dat om een goed journalistiek onderzoek te kunnen doen je een goed thema, maar vooral tijd nodig hebt. De podcast kan hiervoor zorgen. De story-based inquiry methode van Mark Lee Hunter, een andere spreker op deze conferentie, zou dan bijvoorbeeld de basis kunnen vormen voor een onderzoeksjournalistieke podcast. De journalist kan op deze manier de luisteraar meenemen in de opbouw van het verhaal en het onderzoek. Voordelig voor de journalist, die het vele onderzoekswerk tot een journalistiek stuk kan verwerken, en voor de luisteraar, die een vollediger overzicht van het verhaal krijgt.

Verhalende onderzoeksjournalistiek is, volgens mij, in staat om de reusachtige potentie van de podcast als journalistieke tool te benutten. Deze vorm van journalistiek stelt de podcast in staat om zijn ware gelaat te laten zien en als baken van rust te dienen tussen het grote “Breaking News”-geweld op het internet. Jonah Wiener vatte het in 2014 al mooi samen: “In an antidotal, and almost paradoxical way, podcasts are the internet freed from pixels.” (Wiener, 2014)

Bronnen:

LIKE.REACT.SHARE.RETWEET.

26 augustus 2015. Twee Nederlandse programmamakers, 28 en 31 jaar oud, besluiten zichzelf 24 uur per dag te laten filmen. Ze wilden leven met nul komma nul privacy en nagaan wat dat men een mens doet. Ze lieten de beelden dan ook live uitzenden op internet. Het project kreeg de naam “Super Stream Me”. De ambitie van de twee mannen was om drie weken lang alles te laten zien, van wc-bezoek tot lui moment in de zetel. De hele wereld kon hun dagelijkse leven bekijken en becommentariëren. Maar liefst 400.000 mensen bezochten de livestream en werden deel van het leven van Tim en Nicolaas. De jongens haalden de eindmeet niet. De “stream” werd na 15 dagen afgesloten omdat ze er compleet genoeg van hadden continu zichtbaar te zijn voor de hele wereld. De inspiratie voor dit experiment? Het boek “De Cirkel” van Dave Eggers.

OPENBAAR IS GOED

“De Cirkel” is het relaas van een jonge vrouw, Mae Holland, die aan de slag gaat bij het machtigste internetbedrijf ter wereld: De Cirkel. Het bedrijf heeft een universeel besturingssysteem ontwikkeld waarin iedere gebruiker al zijn sociale mediaprofielen, wachtwoorden, e-mailaccounts enz. kan onderbrengen in één allesomvattend account. Deze ene online identiteit, TruYou, is niet anoniem, traceerbaar en verbonden met al je creditcards en je bank. “Het tijdperk van valse identiteiten, identiteitsdiefstal, meerdere gebruikersnamen, ingewikkelde wachtwoorden en betalingssystemen was voorbij.” (p.25).

De oprichter van De Cirkel, Tyler Gospodinov, ontwikkelde dit besturingssysteem vanuit een nobele gedachte. Als niemand meer anoniem online is, dan maak je komaf met de internettrolls en de bagger die zij verspreiden. De vraag is echter of dit echt een utopische, contrahegemonische gedachte is. Als iedereen zich naar de sociale conventie schikt, krijg je dan nog wel ieders oprechte mening te horen. Krijg je dan geen eenheidsworst in plaats van een breed spectrum van opinies?

Maar het TruYou-systeem is slechts het begin. Doorheen het boek worden tal van innovaties door het bedrijf gelanceerd. De Cirkel vindt systemen uit die kinderontvoeringen moeten tegengaan of die de prestaties van de schoolgaande jeugd moeten verbeteren. Eggers demonstreert knap hoe deze uitvindingen, waar op het eerste zicht niemand tegen kan zijn, een aanslag vormen op ieders privacy. En de meest ingrijpende innovatie moet dan nog komen.

GEHEIMEN ZIJN LEUGENS

Mae werkt zich op in het bedrijf. Ze moet niet meer enkel de klachten van klanten beantwoorden. Ze moet ook andere werknemers opleiden en wordt verplicht zich zeer actief op te stellen op de verschillende sociale netwerksystemen van het bedrijf. Alle activiteiten van Mae, en alle andere werknemers, worden op verschillende ranglijsten bijgehouden. Het hoeft niet te verbazen dat wie wil opklimmen in het bedrijf een hoge plaats op deze rangschikkingen moet zien te bemachtigen.

Eggers laat in deze passages voor de eerste keer zijn Neo-Luddistisch kantje zien. De beschrijvingen van de manier waarop Mae, langs alle kanalen, wordt overstelpt met info en op het belang van een goede ranking wordt gewezen, zijn beklemmend. En de verplichting van het bedrijf tot doorgedreven online- en offline-participatie voelt bij momenten sektarisch aan: “Dat je naar je ouders wilt, dat vind ik echt heel erg oké (…). Ik wil alleen het gemeenschappelijke van deze baan benadrukken. Wij beschouwen dit bedrijf als een geméénschap en iedereen die hier werkt is een déél van die gemeenschap.” (p.166).

Over de wenselijkheid om alles en iedereen binnen een bedrijf op een rangschikking te beoordelen valt te discussiëren, maar vooral het verplicht worden om continu sociaal -zowel online als offline- actief te zijn vind ik een gruwelijke gedachte. Het mooie aan bijvoorbeeld de sociale media vandaag is dat je de absolute vrijheid hebt om net datgene te laten zien aan de buitenwereld wat jij wil tonen. Wat als die vrijheid die sociale media ons vandaag bieden verengt tot een plicht om alles over jezelf kenbaar te maken? Ben je dan nog jezelf? Wordt je identiteit dan online bepaald? Is je gevoel van eigenwaarde dan fictief? Als oprechte sociale contacten verwateren tot enkel een like of retweet, ben je dan zelf nog wel oprecht? Eggers illustreert dat als we in een fictieve realiteit beginnen te leven, we de schoonheid, maar ook de rauwheid, van het “echte” leven uit het oog verliezen.

PRIVACY IS DIEFSTAL

De Cirkel maakt zich op voor de ultieme innovatie. In haar gevecht met de onwetendheid en het verborgene is het bedrijf uit op ultieme transparantie. Deze trachten ze te bereiken door zich toe te spitsen op de politiek. Volgens De Cirkel dient de democratie opener en transparanter te zijn en moet het maar eens gedaan zijn met die vermaledijde “achterkamertjespolitiek”. De oplossing lijkt briljant: we zoeken een politicus die elk uur van zijn dag in beeld wil laten brengen. Gedaan met de geheimzinnige deals, van nu af aan zien we alles. De publieke opinie reageert positief, andere politici volgen in ijl tempo.

De idee is dat het publiek door beter geïnformeerd te zijn zich een betere mening kan vormen over de politiek en die uiteraard kan uiten. Dit is een utopische visie waarbij technologie ons dichter brengt tot een directe democratie waarbij iedereen de kans krijgt om zich op een goed geïnformeerde manier te mengen in het debat. De vraag die het boek opwerpt is of dit wel echt het geval is. De Cirkel eigent zich eigenlijk de controle over het politieke landschap toe: wie niet “transparant” is als politicus wordt door De Cirkel in diskrediet gebracht. Verwerft één bedrijf hier niet het monopolie op het politieke leven? De Cirkel helpt als het ware mee bepalen wie verkozen kan worden.

En De Cirkel breidt zijn invloedssfeer nog uit. Mae wordt geselecteerd om ook haar leven “transparant” te maken. Ze wordt dag in, dag uit gevolgd door camera’s. Een ultieme transparantie die vooral haar directe omgeving keihard treft. Haar ouders worden gek van de camera’s in hun huis en haar ex-vriend verzet zich als een volleerde Don Quichote tegen de dominantie van De Cirkel over het dagdagelijkse leven.

Deze innovatie versterkt het gevoel dat Mae een identiteit ontwikkelt die compleet losstaat van de realiteit, maar focust op het voldoen aan de wensen van haar volgers en het bedrijf. Een bedrijf dat de maatschappij opsplitst in mensen die mee willen drijven op de golf van vernieuwing en degenen die zich verzetten tegen noodzakelijke vooruitgang. Het dictatoriaal gehalte van De Cirkel en haar ideeën leidt tot een verbanning van die laatste groep. Eggers beangstigt het meest door de innovaties als logische stappen voor te stellen. Elk idee lijkt vanuit rationele argumenten en oprechte bekommernissen te ontstaan, maar laat op de volgende bladzijden haar akelige uitwassen zien.

IS DE CIRKEL ROND?

“De Cirkel” is één grote waarschuwing. Vooral de vanzelfsprekendheid waarmee technologische ontwikkelingen ons leven zouden kunnen overnemen, is verontrustend. Eggers ziet het recht op privacy als de laatste barrière tussen ons en een digitale overname.

De verregaande gevolgen die Eggers schetst als die barrière, vanuit de beste bedoelingen, niet meer aanwezig zou zijn, stemmen tot nadenken. Wat als heel ons leven opgeslagen werd door één instantie? Er ontstaat dan een verregaande hegemonie, waarbij die ene instantie het volledige publieke domein controleert. Een controle die er, volgens Neo-Luddisten, voor kan zorgen dat wij op een manier gaan denken zoals die totalitaire instantie wil dat wij denken. En wat als die instantie en dus eigenlijk ons leven wordt gehackt? Een thema dat Eggers niet aanraakt in zijn boek.

De sociale media vandaag respecteren, volgens mij, ons recht op privacy. We kunnen –voorlopig?- nog datgene laten zien van onszelf wat we willen. Dit boek heeft echter wel aan dat we daar niet op kunnen toegeven. Dat de controle over onze identiteit door anderen zich als een sluipend gif kan verspreiden. We moeten blijven toezien op wie we zijn en wie we willen zijn. Of zoals Tim van “Super Stream Me” het na zijn experiment samenvatte: “Als je een selectie kunt maken van wat je wil laten zien, is dat eigenlijk de ultieme vorm van privacy.”

 

Bronnen

 

Peter

Vandenbempt werd afgelopen woensdag in een “gezellig” gesprekje op Radio 1 gevraagd eens zijn licht te laten schijnen op het komende voetbalseizoen. Dat het ondertussen bon ton is bij het merendeel van de huidige voetbaljournalistieke garde om de reguliere competitie als een last te zien die het ware spektakel van Play-Off 1 voorafgaat , wisten we al langer. Het feit dat ook Peter zijn wagonnetje aan dit clichéspuiende peloton aanhaakte , kwam als een verrassing.

De recente opwaardering van de reguliere competitie is , volgens Peter , mislukt. Dat is het ook en toont aan dat er geen gekunstelde opwaardering nodig is. Peter ziet het anders : “Ik had er meer van verwacht.” .  Afgezien van het feit dat het vreemd is om als voetbaljournalist 3/4 van de competitie waar je over moet berichten als oninteressante aanloop te zien , lijkt er zich afgelopen weekend een kwalijkere evolutie te hebben voorgedaan: de topclubs beginnen dit übercliché over de competitieformule met Play-Offs nog te geloven ook.

De Grote Vijf toonden gedurende grote gedeelten van hun wedstrijden een verschrikkelijk gebrek aan concentratie en – vervelender – hautaine nonchalance. Enkel Genk en Anderlecht slaagden erin hun eerste wedstrijd van het seizoen zonder puntenverlies af te werken , met dank aan de matig acterende doelmannen van de respectievelijke tegenstanders. De coaches van de G5 , op de boze Hein na , lieten zich na de wedstrijd ook enkel verleiden tot holle zegswijzen als : “Het seizoen is nog lang.” en “We zoeken nog automatismen.”. Gelukkig bleef “het proces” van Garrido nog achterwege.

Diezelfde trainers zullen de eersten zijn om bij een een slecht lopende PO1 te verwijzen naar de vele blessures in de kern omwille van de vermoeidheid en de zware Europese campagne die al geweest is , of – hopelijk – nog steeds loopt. Het serieus nemen van de reguliere competitie vanaf speeldag 1 zou deze excuses snel naar de achtergrond kunnen doen verdwijnen.

Het verbod dat de groten van het Belgische voetbal zichzelf hebben opgelegd  om de 90 punten in de reguliere competitie ook maar te ambiëren is schrijnend en demonstratief voor het gemak waarmee de topclubs zich door de vaderlandse competitie denken te kunnen loodsen. De Reguliere Competitie is genadeloos en maakte deze gemakzucht afgelopen weekend met de grond gelijk.